Efeziërs 1,7-10 in de nieuwe bijbelvertaling

  • J Lambrecht
Keywords: No Keywords

Abstract

De zogeheten lofzang van de brief aan de Efeziërs, 1,3-14, bestaat uit
één lange zin, de langste van het Nieuwe Testament, in een overdadige
en overladen stijl. God wordt er geprezen, omdat hij ons in en door
Christus met allerhande geestelijke zegeningen gezegend heeft (v. 3),
ons uitverkozen heeft om een heilig leven te leiden en ons door Jezus
Christus voorbestemd heeft tot kindschap. Dit moet strekken tot lof
van zijn heerlijke genade, waarmee hij ons in de geliefde Christus begenadigd heeft (vv. 4-6). Door Jezus’ bloed hebben we de verlossing
ontvangen, de vergiffenis van onze zonden, en dit dank zij de rijkdom
aan genade die God ons overvloedig in alle wijsheid heeft geschonken.
Dit blijkt daaruit dat hij ons het geheim van zijn wil bekend gemaakt
heeft om in Christus alles in hemel en op aarde onder één hoofd te
brengen (vv. 7-10). In Christus zijn wij, die als vroegere joden reeds
lang op hem hadden gewacht, erfgenamen geworden. Maar ook gij,
christenen uit het heidendom, werdt verzegeld met de beloofde heilige
Geest, die het onderpand is van onze erfenis, dit alles tot verlossing
van zijn verworven bezit, tot lof van zijn heerlijkheid (vv. 11-14).
In deze lofzang valt op dat Gods uitverkiezing in Christus plaatsheeft
“voor de grondlegging van de wereld” (v. 4); dit geldt ook voor
de voorbestemming (v. 5). God heeft dus met de preëxistente Christus
van alle eeuwigheid in de hemel gepland en beslist wat op aarde in de tijd geschied is en nog zal geschieden. In 1,3-14 volgen drie lange bijzinnen op elkaar, de verzen 7-10, 11-12 en 13-14, elk beginnend met ejn w|/ (“in wie”). Dit betrekkelijk voornaamwoord heeft ook iedere keer “Christus” als antecedent, in vers 6 in de vorm van “de geliefde”. Deze korte bijdrage beperkt zich.
Section
Articles

Journal Identifiers


eISSN: 2309-9089
print ISSN: 1015-8758